Hypnose neuken tilburg

Dit is echter televisie hypnose, bedoeld als publiek vermaak, en heeft niets te maken met de hypnose zoals die in onze praktijk wordt toegepast. Hypnose of trance is niets anders dan een vorm van sterk geconcentreerde aandacht, terwijl je diep ontspannen bent. Zoals bijvoorbeeld wanneer je dagdroomt of helemaal opgaat in een boek of film. Deze alledaagse vorm van trance kent iedereen. Bij hypnotherapie gebruiken we trance als hulpmiddel om een therapeutisch doel te bereiken.

Het voordeel van werken met hypnose is dat je toegang krijgt tot je innerlijke beelden, intuïtief en zelf genezend vermogen. Je kunt je eigen oplossingen vinden die bij jou passen. Het wordt dan onder andere mogelijk nieuwe inzichten te krijgen, pijnlijke herinneringen te verwerken en lichaamsfuncties te beïnvloeden.

Nog in diezelfde sessie hebben we zijn onderbewustzijn opnieuw geprogrammeerd met als gevolg dat hij zonder enige moeite zijn gezonde gewicht kon behouden. Wij zijn gevestigd in een schuurwoning op het adres: Je vindt ons achter op het erf parkeren kan in de berm. Wij bieden in onze praktijk verschillende mogelijkheden aan om te groeien in bewustzijn en proberen samen antwoord te vinden op vragen als: Wij bieden verschillende oplossingen voor coaching, hypnose en spiritualiteit, door middel van verschillende cursussen, persoonlijke trainingen en groepstrainingen.

Een leven lang groeien en ontwikkelen, daar geniet ik van. Deze zal, om zo een afweging in redelijkheid te kunnen maken, inzicht dienen te hebben in de omstandigheden die voor de waardering van de conflicterende belangen gewicht in de schaal leggen. De klachttermijn is gegeven "opdat de tot klacht gerechtigde zich op de hoogte kan stellen van alle omstandigheden die zijn beslissing omtrent het indienen van de klacht moeten bepalen" 7.

De klachttermijn van 90 dagen begint te lopen de dag nadat de tot klacht gerechtigde van het gepleegde feit kennis heeft genomen. Kennis betekent volgens NLR suppl. Paragraaf 77b StGB bevat de regeling van de klachttermijn in het Duitse recht.

Ik denk aan de ouders aan wie ter ore komt dat hun jarige kind seksueel heeft verkeerd met een oudere, zonder dat zij met de identiteit van die ander bekend zijn omdat het kind die niet wil prijsgeven. Omdat de ouders aanvankelijk denken dat het een incidenteel gebeuren is geweest laten zij na klacht te doen. Na afloop van de klachttermijn komen zij ervan op de hoogte dat de ander een familielid is dat in de buurt woont en nog steeds toenadering tot hun kind zoekt.

Zulke nadien bekend geworden omstandigheden kunnen de klachtgerechtigde ouders ertoe doen besluiten dat de bescherming van hun kind tegen het familielid de voorkeur moet krijgen boven de wens van het kind de dader niet aan vervolging bloot te stellen.

Of denk aan het geval dat de ouders eerst nadien vernemen dat de dader vermoedelijk met HIV is besmet. Soms kunnen de persoonskenmerken van de vermoedelijke dader zo relevant zijn voor de afweging van belangen die de bron is van het klachtvereiste dat niet gezegd kan worden dat een redelijke afweging plaats kan vinden zonder dat die persoonskenmerken bij die afweging worden betrokken.

De ratio van het klachtvereiste is mede de bescherming van klager dat er geen ruchtbaarheid aan een zaak wordt gegeven voordat hij heeft aangegeven dat hij ook daadwerkelijk vervolging wil. Het dient dus niet ter bescherming van de belangen van verdachte. Het hof heeft geoordeeld dat [betrokkene 3] eerst op 12 juli -bij gelegenheid van zijn ontmoeting met de verdachte- op de hoogte is geraakt van alle omstandigheden die voor zijn beslissing omtrent het indienen van zijn klacht van belang waren.

Op die dag vernam [betrokkene 3] - blijkens bewijsmiddel 34 - namelijk van de verdachte dat hij ongecontroleerde opwellingen en drang tot het verleiden van kinderen had, dat hij soms zelfs niet wist wat hij met de kinderen deed en dat hij daarvoor onder behandeling van het Riagg was geweest, waaruit [betrokkene 3] begreep dat de verdachte hulp nodig had in verband met diens neigingen en dat de verdachte een gevaar voor kinderen vormde, waardoor justitieel ingrijpen geboden was.

Gelet hierop geeft 's hofs oordeel dat de klachttermijn eerst op 12 juli is aangevangen - anders dan de steller van het middel meent - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "kennis" als bedoeld in art. Overigens mag niet uit de verklaringen van [slachtoffer 1] worden afgeleid dat [slachtoffer 1] zelf geen vervolging van verdachte zou willen.

In die verklaringen ligt besloten dat [slachtoffer 1] vond dat verdachte niet enkel voor hetgeen hij ten aanzien van [slachtoffer 1] had gedaan de gevangenis in zou moeten, maar dat hij het wel belangrijk vond dat verdachte niets aan andere kinderen zou mogen aandoen. Als verdachte voor andere kinderen een gevaar zou opleveren - en daar heeft het toch alle schijn van - zou [slachtoffer 1] wel willen dat hij zou worden vervolgd ook voor hetgeen verdachte hem had aangedaan.

Ik geef toe dat de verklaringen van [slachtoffer 1] niet klip en klaar uitkomen op de wens dat de verdachte zal worden vervolgd, maar als zou blijken dat verdachte ook andere kinderen lastig viel zou verdachte moeten worden aangepakt. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het bewijsverweer inhoudende dat verdachtes daderschap onverenigbaar is met de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 3] betreffende de beschrijving van de in de bosjes waargenomen dader.

Het hof neemt het door deze deskundigen opgemerkte tot uitgangspunt, en is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 3] betreffende de in de bosjes waargenomen dader niet onverenigbaar zijn met de physionomie van de verdachte, zoals deze blijkt uit de zich in het proces-dossier bevindend - en van [de] zomer [van] daterende - foto's van verdachte.

Wat betreft de waarnemingen van [slachtoffer 3] betreffende de man die op de brug, gezeten op een fiets, belde moet worden bedacht dat [slachtoffer 3] toen net uit de bosjes kwam en zich alstoen kennelijk vide G in een staat van beperkte waarneming bevond, terwijl verdachte zich bovendien op enige afstand van hem ophield.

De stelling van de raadsman dat [slachtoffer 3] "een geheel ander type persoon beschrijft" wordt door het hof dan ook niet onderschreven.

Het daderschap van verdachte is dan ook niet onverenigbaar met de verklaringen van [slachtoffer 3]. Aangevoerd wordt dat het hof het verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen omdat het de foto's waarnaar wordt verwezen niet nader heeft omschreven, hetgeen meebrengt dat 's hofs oordeel dat het daderschap van verdachte niet onverenigbaar is met de verklaringen van [slachtoffer 3] in cassatie niet adequaat op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.

Het middel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft immers de verklaringen van [slachtoffer 3] over het uiterlijk van de dader niet voor het bewijs gebezigd. Het hof heeft het bewijs doen steunen op de inhoud van de in de bijlage bij het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen. In die aanvulling zijn verklaringen van [slachtoffer 3] opgenomen nrs. Verdachte is niet door [slachtoffer 3] als dader geïdentificeerd.

Het bewijs van het daderschap van verdachte wordt in toereikende mate geleverd door de inhoud der in de aanvulling opgenomen wettige bewijsmiddelen. Dat er buiten de inhoud der bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt nog ander materiaal is dat haaks staat op de bewezenverklaring of daarmee minder goed te rijmen is, is een situatie die iemand die vertrouwd is met de gang van zaken in een strafzaak niet vreemd zal voorkomen.

Dat daderschap vloeit reeds rechtstreeks voort uit bewijsmiddel Overigens - en dat mijnerzijds ten overvloede - merk ik op dat de overwegingen van het hof onder Zij steunen voorts op het verhandelde ter terechtzitting, hetgeen uit het volgende kan blijken. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 13 februari heeft getuige [getuige 1] aldaar verklaard dat:.

Voorts heeft een collega van verdachte ter zitting van 13 februari proces-verbaal pagina 14 verklaard dat verdachte er nog steeds hetzelfde uitziet als op 22 juni , alleen iets dikker. Voorts is er de verklaring van [getuige 2], werkgeefster van verdachte, afgelegd ter zitting van 18 februari , inhoudende dat verdachte er nog steeds hetzelfde uitziet, zijn haarlengte nog precies hetzelfde is, maar dat hij alleen iets voller is geworden.

Bovendien is ter zitting door of namens de verdachte op geen enkel moment aangevoerd dat verdachte [verdachte] niet degene is die op de zich in het dossier bevindende foto's van de zomer van staat afgebeeld. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de persoon die staat afgebeeld op de foto's waarnaar het hof verwijst, de persoon die getuige [getuige 1] beschrijft en de verdachte [verdachte] een en dezelfde persoon zijn.

Tevens blijkt uit deze verklaringen dat verdachte er ter terechtzitting nog hetzelfde uitzag als op de foto's.

Uit de beschrijving van de getuige [getuige 1] van de man die zij heeft gezien kan iedere toehoorder zich daarom een beeld vormen van de fysionomie van degene die op de foto's is afgebeeld; sterker nog, degene die op de foto's is afgebeeld is in levenden lijve voor het hof verschenen. Voor het feit dat de omschrijving die [slachtoffer 3] van de dader heeft gegeven duidelijke verschillen vertoont met het uiterlijk van verdachte heeft het hof een begrijpelijke verklaring gegeven.

Het hof heeft blijkens het bestreden arrest vastgesteld dat [slachtoffer 3] in de ambulance, dus direct na het drama, geen signalement van de dader heeft opgegeven en verklaard heeft dat hij niet naar de man heeft gekeken, en dat [slachtoffer 3] eerst in de loop van de vele van het afgenomen politieverhoren desgevraagd een aantal malen beschrijvingen van de dader heeft geven.

Deze beschrijvingen, zoals op pagina 28 en 29 in het arrest weergegeven, lopen in hoofdzaak op twee punten uiteen met de hierboven door getuige [getuige 1] gegeven beschrijving.

Getuige [getuige 1] spreekt over sluik haar en kan zich geen puisterig gelaat herinneren, terwijl [slachtoffer 3] het over stekeltjes haar heeft en over een gezicht vol met puistjes. Maar over deze waarneming door [slachtoffer 3] hebben de deskundigen blijkens het bestreden arrest nu juist verklaard dat er bij [slachtoffer 3] - die de dader blijkens zijn verklaringen slechts korte tijd heeft kunnen waarnemen, en wel gedurende zijn gedwongen verblijf met [slachtoffer 2] en de dader in de bosjes onder levensbedreigende omstandigheden - sprake was van de zogenaamde "Totstell-reflex", in welk geval sprake is van een vernauwde visuele waarneming en dat "het reëel is om te beseffen dat een verklaring van traumatische gebeurtenissen in details altijd wel ongerijmdheden en onjuistheden kan bevatten".

Hetgeen de deskundigen hebben opgemerkt is door het hof tot uitgangspunt genomen. Dat brengt mij tot de slotsom dat 's hofs oordeel dat het daderschap van verdachte niet onverenigbaar is met de verklaringen van [slachtoffer 3] - ook zonder 's hofs nadere omschrijving van de betreffende foto's - niet onbegrijpelijk is. Het derde middel komt op tegen de bewezenverklaarde feiten 1 en 3.

Het bewijs voor een voltooide verkrachting zou ontoereikend zijn nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte zijn penis in de vagina van [slachtoffer 2] heeft gebracht. Hieruit volgt dat verdachte, die op de bewuste 22 juni seksueel opgewonden in het Beatrixpark rondreed op zoek naar kinderen met wie hij sex wilde hebben, in de bosjes met een ontblote stijve penis bovenop de - in opdracht van verdachte - geheel ontklede [slachtoffer 2] is gaan liggen met de bedoeling om sexuele gemeenschap met haar te hebben en dat verdachte heel erg bang werd om betrapt te worden terwijl hij bezig was het meisje te verkrachten.

Tevens zijn blijkens de gebezigde bewijsmiddelen bij [slachtoffer 2] recente letsels aangetroffen die bij penetratie met een te groot voorwerp, zoals een penis, kunnen ontstaan.

Aldus heeft het hof - anders dan het middel kennelijk meent - kunnen aannemen dat verdachte [slachtoffer 2] met zijn penis heeft gepenetreerd zoals bewezenverklaard. Waarom de omstandigheid dat er volgens de patholoog, die het stoffelijk overschot van het slachtoffertje heeft onderzocht, sprake is van heel recente slijmvliesbeschadigingen en maagdenvliesafwijkingen ontoereikend zou zijn voor het bewijs van een voltooide verkrachting is mij een raadsel.

Het gaat immers om letsels die horen bij het seksueel binnendringen van het lichaam van een kind. Naar mijn mening levert de verklaring van de patholoog juist bij uitstek het bewijs van een voltooide verkrachting, zeker in combinatie met de verklaringen van verdachte waarnaar ik zojuist verwees. Het vierde middel klaagt over 's hofs afwijzing van de verzoeken om verdachtes bekennende verklaringen en het door hem gevoerde telefoongesprek met de alarmcentrale aan een psychologische analyse te onderwerpen.

Blijkens 's hofs tussenbeslissing van 21 december heeft het hof de in het middel bedoelde verzoeken van 7 december afgewezen en dienaangaande overwogen:.

Met betrekking tot het telefoongesprek van verdachte met de hulpdiensten via van 22 juni vanaf Aan deze verzoeken gaat het hof voorbij. Daargelaten de relevantie van de geformuleerde vragen, wordt een psychologisch onderzoek naar deze verhoren en dit telefoongesprek niet noodzakelijk geacht. Het is bij uitstek de taak van de rechter om de betreffende verklaringen en de inhoud van het telefoongesprek op hun merites te waarderen.

De stelling waarop het middel berust, namelijk dat de verdediging niet het recht mag worden ontzegd om met behulp van deskundigen de betrouwbaarheid van verklaringen van de verdachte te belichten, is kennelijk gebaseerd op art. Die bepaling noopt evenwel niet tot een onbeperkt honoreren van alle verzoeken die de verdediging voorlegt. Tevergeefs wordt een beroep gedaan op HR NJ , - bedoeld zal zijn HR NJ , - aangezien het in die zaak, anders dan in de onderhavige zaak, om de betrouwbaarheid ging van een onder hypnose afgelegde getuigenverklaring waarvan de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een dergelijke verklaring bewijskracht moet worden ontzegd, niet meer en niet minder.

Het verzoek van de verdediging om een psychologische analyse van bedoelde verhoren en van het telefoongesprek is een verzoek als bedoeld in art.

Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige is of van de noodzaak van het verzochte is gebleken. Blijkens het hier weergegeven oordeel heeft het hof door te overwegen dat het een psychologisch onderzoek naar deze verhoren en dit telefoongesprek niet noodzakelijk acht de juiste maatstaf aangelegd. Daarbij valt in aanmerking te nemen dat - zoals het hof terecht heeft overwogen en in cassatie door de verdediging wordt onderschreven - het bij uitstek de taak van de rechter is om de betreffende verklaringen en de inhoud van het telefoongesprek op hun merites te waarderen en voorts dat het geenszins aannemelijk is geworden - zoals het hof blijkens het bestreden arrest heeft vastgesteld - dat de verdachte zijn verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd en ook dat de bekennende verklaringen van verdachte uiteraard niet het enige bewijs is waarop de bewezenverklaringen steunen.

Aan de verhoren van 9 en 10 september heeft het hof in zijn arrest onder Daarbij is te bedenken dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld bij de rechter-commissaris de verhorende verbalisanten aan de tand te voelen over de wijze waarop de verhoren van verdachte zijn verlopen.

De motivering van het verzoek bood ook geen aanknopingspunt voor een uitgebreidere redengeving. De pleitnota die de advocaat ter terechtzitting van 7 december heeft overgelegd houdt enkel in dat de verklaringen van verdachte van 9 en 10 september nader dienen te worden onderzocht, bij voorkeur door een psycholoog.

Meer dan dat de stemmingen van verdachte tijdens die verhoren sterk wisselden en dat verdachte geruime tijd niet of nauwelijks contact met de buitenwereld heeft gehad is in die pleitnota niet te lezen.

Bovendien leert een blik achter de papieren muur dat verdachte niet alleen bij de politie heeft bekend, maar deze bekentenissen daarna nog eens heeft bevestigd tijdens zijn voorgeleiding op 11 september ten overstaan van officier van justitie mr.

Het vijfde middel klaagt over 's hofs afwijzing van het verzoek om alle bij de politie binnengekomen tips aan het dossier toe te voegen. Blijkens 's hofs tussenbeslissing van 21 december heeft het hof het in het middel bedoelde verzoek van 7 december afgewezen en dienaangaande overwogen "dat de verdediging heeft nagelaten haar belang in voldoende mate concreet te onderbouwen".

Blijkens het bestreden arrest heeft het hof dit op 13 februari herhaalde verzoek als volgt afgewezen:. Het herhaalde verzoek 14 d. Het hof wijst het herhaalde verzoek 14 af. Het verwijst naar de overweging dienaangaande in de tussenbeslissing van 21 december Ook thans ontbeert het verzoek voldoende concrete onderbouwing, ook niet voor de kennelijke veronderstelling van de verdediging, dat de tips belangrijke informatie zouden bevatten over mogelijke andere betrokkenen bij de tenlastegelegde feiten dan de verdachte en dat politie en justitie onvoldoende bereid zijn onderzoek te verrichten naar een andere verdachte.

Het hof blijft van oordeel dat geen noodzaak bestaat tot het aan het dossier toevoegen van alle bij de politie ingekomen tips, zoals het hof in voormelde tussenbeslissing ten aanzien van alle onder punt 14 behandelde verzoeken heeft geoordeeld. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat er nog relevante verklaringen aan het dossier ontbreken. Het door de raadsman gedane verzoek tot toevoeging aan het dossier van tips is een verzoek als bedoeld in art. Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige is ingevolge art.

Blijkens het hier weergegeven oordeel heeft het hof door te overwegen dat het van oordeel blijft dat geen noodzaak bestaat tot het aan het dossier toevoegen van alle bij de politie ingekomen tips de juiste maatstaf aangelegd. Het middel dat zich op een ander standpunt stelt, mist dus in zoverre feitelijke grondslag. Overigens is in hoger beroep - anders dan het middel mogelijk suggereert - niet gesteld, noch gebleken dat sprake is geweest van een "tunnelvisie" bij de opsporingsambtenaren ten aanzien van verzoeker.

Het in de aanvullende schriftuur opgeworpen middel klaagt dat de afwijzing door het Hof van het verzoek tot het doen verrichten van DNA-onderzoek op voorwerpen, aangetroffen op locatie C berust op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen. In zijn arrest p. Mede in het licht van hetgeen de deskundigen in combinatie met de door hen uitgebrachte rapporten naar voren hebben gebracht valt niet in te zien dat het verzochte DNA-onderzoek op deze voorwerpen geacht kan worden bij te dragen tot enige in deze zaak te nemen beslissing.

Dit is derhalve niet noodzakelijk. Dit geldt voor de resterende voorwerpen van locatie A waarvan geen enkele relevantie tot het delict aannemelijk is of blijkt, en evenzeer voor de door de raadsman genoemde voorwerpen van locaties D en C.

De met betrekking tot locatie C in hoger beroep door de rechter-commissaris gehoorde getuigen hebben overigens ook geen enkele verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van mogelijke andere personen opgeleverd. Wat betreft voorwerp R de baseball-pet: De steller van het middel betoogt dat dit oordeel onbegrijpelijk is en voert daartoe in de eerste plaats als argument aan dat de deskundige Kloosterman ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat het niet is gelukt om enig verband met een dader aan te tonen en er geen geïncrimineerd spoor is gevonden.

De toelichting op het middel onder 4 stelt dat juist het ontbreken van enig DNA-spoor ertoe zou moeten leiden ieder potentieel DNA-onderzoek te doen uitvoeren.

Voorts voert de toelichting op het middel aan dat sporen ook ver verwijderd van een locus delicti kunnen worden aangetroffen en ook wel enige tijd na het delict. Niet kan worden uitgesloten dat zulke sporen dadersporen blijken te zijn. Ik meen dat de steller van het middel aldus de relevantie en mogelijkheden van DNA-onderzoek miskent.

Als er geen lichaamsmateriaal is gevonden dat aan de dader kan worden toegeschreven - hetgeen hier het geval is zoals het hof heeft vastgesteld - kan DNA-onderzoek van ander materiaal niet voeren tot identificatie van de dader.

Ik haal de memorie van toelichting aan bij het voorstel het DNA-onderzoek in het Nederlandse strafrecht een plaats te geven:. Evenals bij het nemen van vingerafdrukken is DNA-bloedonderzoek vanzelfsprekend alleen zinvol als er vergelijkingsmateriaal voorhanden is. DNA-onderzoek is enkel interessant als van één van de onderzochte profielen vast staat van wie het afkomstig is. Dat is even zinloos om van een speurhond te verlangen dat hij een rij mensen beruikt en dan de schuldige aanblaft zonder dat hij eerst lucht heeft kunnen nemen van een voorwerp dat de dader zeker in handen heeft gehad.

Wat betreft de baseballpet acht ik het oordeel van het Hof evenmin onbegrijpelijk. De vaststelling dat de pet ver van de plaats van het delict is aangetroffen 13 en nog wel dagen na het misdrijf, terwijl er geen lichaamsmateriaal op de plaats delict is gevonden dat aan de dader is toe te schrijven en waaruit een bruikbaar DNA-profiel gewonnen kan worden maakt DNA-onderzoek van die pet eveneens een zinloze exercitie.

De namens de verdachte ingediende middelen zijn tevergeefs voorgesteld. Gronden waarop het bestreden arrest ambtshalve zou moeten worden vernietigd heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch alleen voor zover het betreft de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in hun vordering tot immateriële schadevergoeding, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

In die zaken was er sprake van een wending in de rechtspraak van de Hoge Raad waarmee de verdediging niet bekend kon zijn. De Hoge Raad beoordeelde toen het cassatieberoep aan de hand van de maatstaven die golden voordat deze niet voorziene wending werd gemaakt. In het onderhavige geval zou dat kunnen betekenen dat de benadeelde partijen niet kan worden tegengeworpen dat zij geen rekening hebben gehouden met de nieuwe eisen van het shockschadearrest.

.

Turkse prive ontvangst sex in drenthe




Dit is echter televisie hypnose, bedoeld als publiek vermaak, en heeft niets te maken met de hypnose zoals die in onze praktijk wordt toegepast. Hypnose of trance is niets anders dan een vorm van sterk geconcentreerde aandacht, terwijl je diep ontspannen bent. Zoals bijvoorbeeld wanneer je dagdroomt of helemaal opgaat in een boek of film.

Deze alledaagse vorm van trance kent iedereen. Bij hypnotherapie gebruiken we trance als hulpmiddel om een therapeutisch doel te bereiken. Het voordeel van werken met hypnose is dat je toegang krijgt tot je innerlijke beelden, intuïtief en zelf genezend vermogen.

Je kunt je eigen oplossingen vinden die bij jou passen. Het wordt dan onder andere mogelijk nieuwe inzichten te krijgen, pijnlijke herinneringen te verwerken en lichaamsfuncties te beïnvloeden.

Nog in diezelfde sessie hebben we zijn onderbewustzijn opnieuw geprogrammeerd met als gevolg dat hij zonder enige moeite zijn gezonde gewicht kon behouden. Wij zijn gevestigd in een schuurwoning op het adres: Je vindt ons achter op het erf parkeren kan in de berm. Wij bieden in onze praktijk verschillende mogelijkheden aan om te groeien in bewustzijn en proberen samen antwoord te vinden op vragen als: Wij bieden verschillende oplossingen voor coaching, hypnose en spiritualiteit, door middel van verschillende cursussen, persoonlijke trainingen en groepstrainingen.

Een leven lang groeien en ontwikkelen, daar geniet ik van. Deze zal, om zo een afweging in redelijkheid te kunnen maken, inzicht dienen te hebben in de omstandigheden die voor de waardering van de conflicterende belangen gewicht in de schaal leggen.

De klachttermijn is gegeven "opdat de tot klacht gerechtigde zich op de hoogte kan stellen van alle omstandigheden die zijn beslissing omtrent het indienen van de klacht moeten bepalen" 7. De klachttermijn van 90 dagen begint te lopen de dag nadat de tot klacht gerechtigde van het gepleegde feit kennis heeft genomen. Kennis betekent volgens NLR suppl. Paragraaf 77b StGB bevat de regeling van de klachttermijn in het Duitse recht.

Ik denk aan de ouders aan wie ter ore komt dat hun jarige kind seksueel heeft verkeerd met een oudere, zonder dat zij met de identiteit van die ander bekend zijn omdat het kind die niet wil prijsgeven. Omdat de ouders aanvankelijk denken dat het een incidenteel gebeuren is geweest laten zij na klacht te doen. Na afloop van de klachttermijn komen zij ervan op de hoogte dat de ander een familielid is dat in de buurt woont en nog steeds toenadering tot hun kind zoekt.

Zulke nadien bekend geworden omstandigheden kunnen de klachtgerechtigde ouders ertoe doen besluiten dat de bescherming van hun kind tegen het familielid de voorkeur moet krijgen boven de wens van het kind de dader niet aan vervolging bloot te stellen. Of denk aan het geval dat de ouders eerst nadien vernemen dat de dader vermoedelijk met HIV is besmet. Soms kunnen de persoonskenmerken van de vermoedelijke dader zo relevant zijn voor de afweging van belangen die de bron is van het klachtvereiste dat niet gezegd kan worden dat een redelijke afweging plaats kan vinden zonder dat die persoonskenmerken bij die afweging worden betrokken.

De ratio van het klachtvereiste is mede de bescherming van klager dat er geen ruchtbaarheid aan een zaak wordt gegeven voordat hij heeft aangegeven dat hij ook daadwerkelijk vervolging wil. Het dient dus niet ter bescherming van de belangen van verdachte. Het hof heeft geoordeeld dat [betrokkene 3] eerst op 12 juli -bij gelegenheid van zijn ontmoeting met de verdachte- op de hoogte is geraakt van alle omstandigheden die voor zijn beslissing omtrent het indienen van zijn klacht van belang waren.

Op die dag vernam [betrokkene 3] - blijkens bewijsmiddel 34 - namelijk van de verdachte dat hij ongecontroleerde opwellingen en drang tot het verleiden van kinderen had, dat hij soms zelfs niet wist wat hij met de kinderen deed en dat hij daarvoor onder behandeling van het Riagg was geweest, waaruit [betrokkene 3] begreep dat de verdachte hulp nodig had in verband met diens neigingen en dat de verdachte een gevaar voor kinderen vormde, waardoor justitieel ingrijpen geboden was.

Gelet hierop geeft 's hofs oordeel dat de klachttermijn eerst op 12 juli is aangevangen - anders dan de steller van het middel meent - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "kennis" als bedoeld in art. Overigens mag niet uit de verklaringen van [slachtoffer 1] worden afgeleid dat [slachtoffer 1] zelf geen vervolging van verdachte zou willen.

In die verklaringen ligt besloten dat [slachtoffer 1] vond dat verdachte niet enkel voor hetgeen hij ten aanzien van [slachtoffer 1] had gedaan de gevangenis in zou moeten, maar dat hij het wel belangrijk vond dat verdachte niets aan andere kinderen zou mogen aandoen. Als verdachte voor andere kinderen een gevaar zou opleveren - en daar heeft het toch alle schijn van - zou [slachtoffer 1] wel willen dat hij zou worden vervolgd ook voor hetgeen verdachte hem had aangedaan.

Ik geef toe dat de verklaringen van [slachtoffer 1] niet klip en klaar uitkomen op de wens dat de verdachte zal worden vervolgd, maar als zou blijken dat verdachte ook andere kinderen lastig viel zou verdachte moeten worden aangepakt.

Het tweede middel klaagt over de verwerping van het bewijsverweer inhoudende dat verdachtes daderschap onverenigbaar is met de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 3] betreffende de beschrijving van de in de bosjes waargenomen dader.

Het hof neemt het door deze deskundigen opgemerkte tot uitgangspunt, en is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 3] betreffende de in de bosjes waargenomen dader niet onverenigbaar zijn met de physionomie van de verdachte, zoals deze blijkt uit de zich in het proces-dossier bevindend - en van [de] zomer [van] daterende - foto's van verdachte. Wat betreft de waarnemingen van [slachtoffer 3] betreffende de man die op de brug, gezeten op een fiets, belde moet worden bedacht dat [slachtoffer 3] toen net uit de bosjes kwam en zich alstoen kennelijk vide G in een staat van beperkte waarneming bevond, terwijl verdachte zich bovendien op enige afstand van hem ophield.

De stelling van de raadsman dat [slachtoffer 3] "een geheel ander type persoon beschrijft" wordt door het hof dan ook niet onderschreven. Het daderschap van verdachte is dan ook niet onverenigbaar met de verklaringen van [slachtoffer 3]. Aangevoerd wordt dat het hof het verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen omdat het de foto's waarnaar wordt verwezen niet nader heeft omschreven, hetgeen meebrengt dat 's hofs oordeel dat het daderschap van verdachte niet onverenigbaar is met de verklaringen van [slachtoffer 3] in cassatie niet adequaat op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.

Het middel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft immers de verklaringen van [slachtoffer 3] over het uiterlijk van de dader niet voor het bewijs gebezigd.

Het hof heeft het bewijs doen steunen op de inhoud van de in de bijlage bij het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen. In die aanvulling zijn verklaringen van [slachtoffer 3] opgenomen nrs. Verdachte is niet door [slachtoffer 3] als dader geïdentificeerd. Het bewijs van het daderschap van verdachte wordt in toereikende mate geleverd door de inhoud der in de aanvulling opgenomen wettige bewijsmiddelen.

Dat er buiten de inhoud der bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt nog ander materiaal is dat haaks staat op de bewezenverklaring of daarmee minder goed te rijmen is, is een situatie die iemand die vertrouwd is met de gang van zaken in een strafzaak niet vreemd zal voorkomen.

Dat daderschap vloeit reeds rechtstreeks voort uit bewijsmiddel Overigens - en dat mijnerzijds ten overvloede - merk ik op dat de overwegingen van het hof onder Zij steunen voorts op het verhandelde ter terechtzitting, hetgeen uit het volgende kan blijken.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 13 februari heeft getuige [getuige 1] aldaar verklaard dat:. Voorts heeft een collega van verdachte ter zitting van 13 februari proces-verbaal pagina 14 verklaard dat verdachte er nog steeds hetzelfde uitziet als op 22 juni , alleen iets dikker. Voorts is er de verklaring van [getuige 2], werkgeefster van verdachte, afgelegd ter zitting van 18 februari , inhoudende dat verdachte er nog steeds hetzelfde uitziet, zijn haarlengte nog precies hetzelfde is, maar dat hij alleen iets voller is geworden.

Bovendien is ter zitting door of namens de verdachte op geen enkel moment aangevoerd dat verdachte [verdachte] niet degene is die op de zich in het dossier bevindende foto's van de zomer van staat afgebeeld. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de persoon die staat afgebeeld op de foto's waarnaar het hof verwijst, de persoon die getuige [getuige 1] beschrijft en de verdachte [verdachte] een en dezelfde persoon zijn.

Tevens blijkt uit deze verklaringen dat verdachte er ter terechtzitting nog hetzelfde uitzag als op de foto's. Uit de beschrijving van de getuige [getuige 1] van de man die zij heeft gezien kan iedere toehoorder zich daarom een beeld vormen van de fysionomie van degene die op de foto's is afgebeeld; sterker nog, degene die op de foto's is afgebeeld is in levenden lijve voor het hof verschenen.

Voor het feit dat de omschrijving die [slachtoffer 3] van de dader heeft gegeven duidelijke verschillen vertoont met het uiterlijk van verdachte heeft het hof een begrijpelijke verklaring gegeven. Het hof heeft blijkens het bestreden arrest vastgesteld dat [slachtoffer 3] in de ambulance, dus direct na het drama, geen signalement van de dader heeft opgegeven en verklaard heeft dat hij niet naar de man heeft gekeken, en dat [slachtoffer 3] eerst in de loop van de vele van het afgenomen politieverhoren desgevraagd een aantal malen beschrijvingen van de dader heeft geven.

Deze beschrijvingen, zoals op pagina 28 en 29 in het arrest weergegeven, lopen in hoofdzaak op twee punten uiteen met de hierboven door getuige [getuige 1] gegeven beschrijving. Getuige [getuige 1] spreekt over sluik haar en kan zich geen puisterig gelaat herinneren, terwijl [slachtoffer 3] het over stekeltjes haar heeft en over een gezicht vol met puistjes. Maar over deze waarneming door [slachtoffer 3] hebben de deskundigen blijkens het bestreden arrest nu juist verklaard dat er bij [slachtoffer 3] - die de dader blijkens zijn verklaringen slechts korte tijd heeft kunnen waarnemen, en wel gedurende zijn gedwongen verblijf met [slachtoffer 2] en de dader in de bosjes onder levensbedreigende omstandigheden - sprake was van de zogenaamde "Totstell-reflex", in welk geval sprake is van een vernauwde visuele waarneming en dat "het reëel is om te beseffen dat een verklaring van traumatische gebeurtenissen in details altijd wel ongerijmdheden en onjuistheden kan bevatten".

Hetgeen de deskundigen hebben opgemerkt is door het hof tot uitgangspunt genomen. Dat brengt mij tot de slotsom dat 's hofs oordeel dat het daderschap van verdachte niet onverenigbaar is met de verklaringen van [slachtoffer 3] - ook zonder 's hofs nadere omschrijving van de betreffende foto's - niet onbegrijpelijk is. Het derde middel komt op tegen de bewezenverklaarde feiten 1 en 3. Het bewijs voor een voltooide verkrachting zou ontoereikend zijn nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte zijn penis in de vagina van [slachtoffer 2] heeft gebracht.

Hieruit volgt dat verdachte, die op de bewuste 22 juni seksueel opgewonden in het Beatrixpark rondreed op zoek naar kinderen met wie hij sex wilde hebben, in de bosjes met een ontblote stijve penis bovenop de - in opdracht van verdachte - geheel ontklede [slachtoffer 2] is gaan liggen met de bedoeling om sexuele gemeenschap met haar te hebben en dat verdachte heel erg bang werd om betrapt te worden terwijl hij bezig was het meisje te verkrachten.

Tevens zijn blijkens de gebezigde bewijsmiddelen bij [slachtoffer 2] recente letsels aangetroffen die bij penetratie met een te groot voorwerp, zoals een penis, kunnen ontstaan. Aldus heeft het hof - anders dan het middel kennelijk meent - kunnen aannemen dat verdachte [slachtoffer 2] met zijn penis heeft gepenetreerd zoals bewezenverklaard.

Waarom de omstandigheid dat er volgens de patholoog, die het stoffelijk overschot van het slachtoffertje heeft onderzocht, sprake is van heel recente slijmvliesbeschadigingen en maagdenvliesafwijkingen ontoereikend zou zijn voor het bewijs van een voltooide verkrachting is mij een raadsel.

Het gaat immers om letsels die horen bij het seksueel binnendringen van het lichaam van een kind. Naar mijn mening levert de verklaring van de patholoog juist bij uitstek het bewijs van een voltooide verkrachting, zeker in combinatie met de verklaringen van verdachte waarnaar ik zojuist verwees. Het vierde middel klaagt over 's hofs afwijzing van de verzoeken om verdachtes bekennende verklaringen en het door hem gevoerde telefoongesprek met de alarmcentrale aan een psychologische analyse te onderwerpen.

Blijkens 's hofs tussenbeslissing van 21 december heeft het hof de in het middel bedoelde verzoeken van 7 december afgewezen en dienaangaande overwogen:. Met betrekking tot het telefoongesprek van verdachte met de hulpdiensten via van 22 juni vanaf Aan deze verzoeken gaat het hof voorbij.

Daargelaten de relevantie van de geformuleerde vragen, wordt een psychologisch onderzoek naar deze verhoren en dit telefoongesprek niet noodzakelijk geacht. Het is bij uitstek de taak van de rechter om de betreffende verklaringen en de inhoud van het telefoongesprek op hun merites te waarderen. De stelling waarop het middel berust, namelijk dat de verdediging niet het recht mag worden ontzegd om met behulp van deskundigen de betrouwbaarheid van verklaringen van de verdachte te belichten, is kennelijk gebaseerd op art.

Die bepaling noopt evenwel niet tot een onbeperkt honoreren van alle verzoeken die de verdediging voorlegt. Tevergeefs wordt een beroep gedaan op HR NJ , - bedoeld zal zijn HR NJ , - aangezien het in die zaak, anders dan in de onderhavige zaak, om de betrouwbaarheid ging van een onder hypnose afgelegde getuigenverklaring waarvan de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een dergelijke verklaring bewijskracht moet worden ontzegd, niet meer en niet minder. Het verzoek van de verdediging om een psychologische analyse van bedoelde verhoren en van het telefoongesprek is een verzoek als bedoeld in art.

Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige is of van de noodzaak van het verzochte is gebleken. Blijkens het hier weergegeven oordeel heeft het hof door te overwegen dat het een psychologisch onderzoek naar deze verhoren en dit telefoongesprek niet noodzakelijk acht de juiste maatstaf aangelegd. Daarbij valt in aanmerking te nemen dat - zoals het hof terecht heeft overwogen en in cassatie door de verdediging wordt onderschreven - het bij uitstek de taak van de rechter is om de betreffende verklaringen en de inhoud van het telefoongesprek op hun merites te waarderen en voorts dat het geenszins aannemelijk is geworden - zoals het hof blijkens het bestreden arrest heeft vastgesteld - dat de verdachte zijn verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd en ook dat de bekennende verklaringen van verdachte uiteraard niet het enige bewijs is waarop de bewezenverklaringen steunen.

Aan de verhoren van 9 en 10 september heeft het hof in zijn arrest onder Daarbij is te bedenken dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld bij de rechter-commissaris de verhorende verbalisanten aan de tand te voelen over de wijze waarop de verhoren van verdachte zijn verlopen.

De motivering van het verzoek bood ook geen aanknopingspunt voor een uitgebreidere redengeving. De pleitnota die de advocaat ter terechtzitting van 7 december heeft overgelegd houdt enkel in dat de verklaringen van verdachte van 9 en 10 september nader dienen te worden onderzocht, bij voorkeur door een psycholoog. Meer dan dat de stemmingen van verdachte tijdens die verhoren sterk wisselden en dat verdachte geruime tijd niet of nauwelijks contact met de buitenwereld heeft gehad is in die pleitnota niet te lezen.

Bovendien leert een blik achter de papieren muur dat verdachte niet alleen bij de politie heeft bekend, maar deze bekentenissen daarna nog eens heeft bevestigd tijdens zijn voorgeleiding op 11 september ten overstaan van officier van justitie mr. Het vijfde middel klaagt over 's hofs afwijzing van het verzoek om alle bij de politie binnengekomen tips aan het dossier toe te voegen.

Blijkens 's hofs tussenbeslissing van 21 december heeft het hof het in het middel bedoelde verzoek van 7 december afgewezen en dienaangaande overwogen "dat de verdediging heeft nagelaten haar belang in voldoende mate concreet te onderbouwen". Blijkens het bestreden arrest heeft het hof dit op 13 februari herhaalde verzoek als volgt afgewezen:.

Het herhaalde verzoek 14 d. Het hof wijst het herhaalde verzoek 14 af. Het verwijst naar de overweging dienaangaande in de tussenbeslissing van 21 december Ook thans ontbeert het verzoek voldoende concrete onderbouwing, ook niet voor de kennelijke veronderstelling van de verdediging, dat de tips belangrijke informatie zouden bevatten over mogelijke andere betrokkenen bij de tenlastegelegde feiten dan de verdachte en dat politie en justitie onvoldoende bereid zijn onderzoek te verrichten naar een andere verdachte.

Het hof blijft van oordeel dat geen noodzaak bestaat tot het aan het dossier toevoegen van alle bij de politie ingekomen tips, zoals het hof in voormelde tussenbeslissing ten aanzien van alle onder punt 14 behandelde verzoeken heeft geoordeeld. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat er nog relevante verklaringen aan het dossier ontbreken.

Het door de raadsman gedane verzoek tot toevoeging aan het dossier van tips is een verzoek als bedoeld in art. Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige is ingevolge art. Blijkens het hier weergegeven oordeel heeft het hof door te overwegen dat het van oordeel blijft dat geen noodzaak bestaat tot het aan het dossier toevoegen van alle bij de politie ingekomen tips de juiste maatstaf aangelegd.

Het middel dat zich op een ander standpunt stelt, mist dus in zoverre feitelijke grondslag. Overigens is in hoger beroep - anders dan het middel mogelijk suggereert - niet gesteld, noch gebleken dat sprake is geweest van een "tunnelvisie" bij de opsporingsambtenaren ten aanzien van verzoeker.

Het in de aanvullende schriftuur opgeworpen middel klaagt dat de afwijzing door het Hof van het verzoek tot het doen verrichten van DNA-onderzoek op voorwerpen, aangetroffen op locatie C berust op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.

In zijn arrest p. Mede in het licht van hetgeen de deskundigen in combinatie met de door hen uitgebrachte rapporten naar voren hebben gebracht valt niet in te zien dat het verzochte DNA-onderzoek op deze voorwerpen geacht kan worden bij te dragen tot enige in deze zaak te nemen beslissing.

Dit is derhalve niet noodzakelijk. Dit geldt voor de resterende voorwerpen van locatie A waarvan geen enkele relevantie tot het delict aannemelijk is of blijkt, en evenzeer voor de door de raadsman genoemde voorwerpen van locaties D en C.

De met betrekking tot locatie C in hoger beroep door de rechter-commissaris gehoorde getuigen hebben overigens ook geen enkele verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van mogelijke andere personen opgeleverd. Wat betreft voorwerp R de baseball-pet: De steller van het middel betoogt dat dit oordeel onbegrijpelijk is en voert daartoe in de eerste plaats als argument aan dat de deskundige Kloosterman ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat het niet is gelukt om enig verband met een dader aan te tonen en er geen geïncrimineerd spoor is gevonden.

De toelichting op het middel onder 4 stelt dat juist het ontbreken van enig DNA-spoor ertoe zou moeten leiden ieder potentieel DNA-onderzoek te doen uitvoeren. Voorts voert de toelichting op het middel aan dat sporen ook ver verwijderd van een locus delicti kunnen worden aangetroffen en ook wel enige tijd na het delict.

Niet kan worden uitgesloten dat zulke sporen dadersporen blijken te zijn. Ik meen dat de steller van het middel aldus de relevantie en mogelijkheden van DNA-onderzoek miskent. Als er geen lichaamsmateriaal is gevonden dat aan de dader kan worden toegeschreven - hetgeen hier het geval is zoals het hof heeft vastgesteld - kan DNA-onderzoek van ander materiaal niet voeren tot identificatie van de dader.

Ik haal de memorie van toelichting aan bij het voorstel het DNA-onderzoek in het Nederlandse strafrecht een plaats te geven:.

Evenals bij het nemen van vingerafdrukken is DNA-bloedonderzoek vanzelfsprekend alleen zinvol als er vergelijkingsmateriaal voorhanden is. DNA-onderzoek is enkel interessant als van één van de onderzochte profielen vast staat van wie het afkomstig is. Dat is even zinloos om van een speurhond te verlangen dat hij een rij mensen beruikt en dan de schuldige aanblaft zonder dat hij eerst lucht heeft kunnen nemen van een voorwerp dat de dader zeker in handen heeft gehad. Wat betreft de baseballpet acht ik het oordeel van het Hof evenmin onbegrijpelijk.

De vaststelling dat de pet ver van de plaats van het delict is aangetroffen 13 en nog wel dagen na het misdrijf, terwijl er geen lichaamsmateriaal op de plaats delict is gevonden dat aan de dader is toe te schrijven en waaruit een bruikbaar DNA-profiel gewonnen kan worden maakt DNA-onderzoek van die pet eveneens een zinloze exercitie.

De namens de verdachte ingediende middelen zijn tevergeefs voorgesteld. Gronden waarop het bestreden arrest ambtshalve zou moeten worden vernietigd heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch alleen voor zover het betreft de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in hun vordering tot immateriële schadevergoeding, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

In die zaken was er sprake van een wending in de rechtspraak van de Hoge Raad waarmee de verdediging niet bekend kon zijn. De Hoge Raad beoordeelde toen het cassatieberoep aan de hand van de maatstaven die golden voordat deze niet voorziene wending werd gemaakt.

In het onderhavige geval zou dat kunnen betekenen dat de benadeelde partijen niet kan worden tegengeworpen dat zij geen rekening hebben gehouden met de nieuwe eisen van het shockschadearrest.

.

Deze alledaagse vorm van trance kent iedereen. Bij hypnotherapie gebruiken we trance als hulpmiddel om een therapeutisch doel te bereiken. Het voordeel van werken met hypnose is dat je toegang krijgt tot je innerlijke beelden, intuïtief en zelf genezend vermogen. Je kunt je eigen oplossingen vinden die bij jou passen. Het wordt dan onder andere mogelijk nieuwe inzichten te krijgen, pijnlijke herinneringen te verwerken en lichaamsfuncties te beïnvloeden. Nog in diezelfde sessie hebben we zijn onderbewustzijn opnieuw geprogrammeerd met als gevolg dat hij zonder enige moeite zijn gezonde gewicht kon behouden.

Wij zijn gevestigd in een schuurwoning op het adres: Je vindt ons achter op het erf parkeren kan in de berm. Wij bieden in onze praktijk verschillende mogelijkheden aan om te groeien in bewustzijn en proberen samen antwoord te vinden op vragen als: Wij bieden verschillende oplossingen voor coaching, hypnose en spiritualiteit, door middel van verschillende cursussen, persoonlijke trainingen en groepstrainingen. Een leven lang groeien en ontwikkelen, daar geniet ik van.

Deze theoretische- en ervaringsbagage in combinatie met wie ik ben, is mijn gereedschap; mensen in beweging brengen, regie terug geven als dat nodig is en dan samen vooruitgang creëren, dat is mijn passie.

De combinatie van werken in de zorg als verpleegkundige, NLP, systemisch werk en mediumschap maken dat ik op een holistische wijze kijk naar de mens die ik ontmoet.

Ik gun iedereen een ontmoeting met zichzelf en ga graag als metgezel mee op deze reis. De beslissing dat het niet noodzakelijk is gebruik te maken van de in art. De Hoge Raad controleert slechts of de beslissing toereikend is gemotiveerd. In de onderhavige zaak heeft het hof de benadeelde partijen niet in de gelegenheid gesteld hun vorderingen alsnog aan te passen aan de eisen die de Hoge Raad in HR NJ , heeft geformuleerd. Van die eisen waren de benadeelde partijen niet op de hoogte en zij konden daarvan niet op de hoogte zijn.

Ik kan in de overwegingen van het hof niet lezen dat het hof van oordeel was dat het alsnog gelegenheid bieden aan de benadeelde partijen om de vorderingen aan te passen een onaanvaardbare vertraging in de afhandeling van de strafzaak zou hebben opgeleverd of zou leiden tot complicaties die het kader van een strafzaak te boven zouden gaan.

Nu de benadeelde partijen uitdrukkelijk wél een beroep hebben gedaan op jurispudentie van het hof in een vergelijkbare zaak had het mijns inziens voor de hand gelegen als het hof alsnog de benadeelde partijen in de gelegenheid had gesteld op de nieuwste rechtspraak van de Hoge Raad te reageren. De vaststelling dat de onderbouwing van de vorderingen ontoereikend is gezien de nieuwe eisen die de Hoge Raad stelt komt erop neer dat de vorderingen der benadeelde partijen worden getoetst aan criteria die aan die benadeelde partijen niet bekend konden zijn.

De middelen van de benadeelde partijen, in onderlinge samenhang beschouwd, treffen daarom naar mijn oordeel doel. Dan kom ik nu toe aan de namens de verdachte ingediende cassatiemiddelen. Het eerste middel klaagt erover dat het hof het met betrekking tot het onder 6 bewezenverklaarde feit gevoerde verweer inhoudende dat de klacht niet tijdig is ingediend ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de officier van justitie ten aanzien van dit feit niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat -zo begrijpt het hof de stellingen van de raadsman- het hier een klachtdelict betreft, de klacht is ingediend door [betrokkene 3] als wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 1], en die klacht niet is ingediend binnen de termijn van artikel 66, eerste lid, Wetboek van Strafrecht.

De aangifte en klacht zijn door [betrokkene 3] gedaan op 22 september De klacht is gedaan ten overstaan van een hulpofficier van justitie. Het feit dateert van 30 mei Uit de verklaring van [betrokkene 3], zoals op 10 mei tegenover de rechter-commissaris afgelegd, blijkt dat hij op 30 mei van zijn zoon [slachtoffer 1] heeft vernomen dat deze op die dag door een onbekende man seksueel was lastig gevallen zoals in de tenlastelegging bedoeld.

Uit de verklaring van [betrokkene 3], zoals opgenomen in het door hem als politie-ambtenaar op 12 juli opgemaakte proces-verbaal van politie, alsmede uit diens verklaring, zoals op 10 mei tegenover de rechter-commissaris afgelegd, blijkt voorts dat zijn zoon [slachtoffer 1] op 12 juli vorenbedoelde onbekende man weer was tegengekomen, dat [slachtoffer 1] hem die man toen had aangewezen, dat hij die man vervolgens had aangesproken, dat die man hem toen had opgegeven [verdachte] de verdachte te zijn en dat deze bekend had dat hij op 30 mei [slachtoffer 1] op de Lepelaarsingel te Vlaardingen achterna was gefietst en hem had gevraagd of hij f 50,- wilde verdienen door hem te trekken.

Voorts vernam [betrokkene 3] toen van de verdachte dat hij ongecontroleerde opwellingen en drang tot het verleiden van kinderen had, dat hij soms zelfs niet wist wat hij met de kinderen deed en dat hij daarvoor onder behandeling van het Riagg was geweest. Het hof leidt uit de verklaringen van [betrokkene 3] voorts af dat hij niet eerder dan op 22 september tot het doen van aangifte en klacht is overgegaan met het oog op de belangen van zijn zoon [slachtoffer 1] met betrekking tot de verwerking van het delict, maar dat hij daartoe uiteindelijk heeft besloten nadat hij uit de mededelingen van de verdachte begrepen had dat de verdachte een gevaar voor kinderen vormde, waardoor justitieel ingrijpen geboden was.

Op grond van een en ander oordeelt het hof dat [betrokkene 3] eerst op 12 juli -bij gelegenheid van zijn ontmoeting met de verdachte- op de hoogte is geraakt van alle omstandigheden die voor zijn beslissing omtrent het indienen van zijn klacht van belang waren. Aldus wordt de klachttermijn geacht eerst te zijn aangevangen de dag na 12 juli , zodat de op 22 september gedateerde klacht ingediend is binnen de daarvoor bij de wet voorziene termijn.

Voorzover de raadsman stelt dat het niet waarschijnlijk is dat [slachtoffer 1] zelf een klacht zou hebben ingediend, overweegt het hof dat uit de verklaringen die [slachtoffer 1] tegenover de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd, niet kan worden afgeleid dat hij zelf geen vervolging van de verdachte wenst.

Tegenover de rechter-commissaris heeft [betrokkene 3] verklaard dat hij na overleg met zijn zoon [slachtoffer 1] besloten heeft om aangifte te doen en dat [slachtoffer 1] dat goed vond. Artikel ter oud Sr, zoals dat luidde voor het op 1 oktober verviel, kende een tweede lid met de volgende inhoud:. Artikel 66 Sr houdt in dat de klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Deze termijn gold bij zedendelicten evenwel voor de wettige vertegenwoordiger en niet voor degene jegens wie het delict werd gepleegd.

Voor de laatste voorzag het vierde lid van art. Het klachtvereiste bij de zedendelicten markeerde de delicate spanning tussen het particuliere belang van het individu zijn of haar seksuele bestaan naar eigen goeddunken in te richten en het algemeen belang, dat ermee is gediend dat sommigen, die op grond van hun leeftijd of constitutie meer kwetsbaar zijn dan anderen, tegen de seksuele avances van derden in bescherming worden genomen.

De memorie van toelichting bij Titel VII van het Wetboek van strafrecht omschrijft de achtergrond van het klachtvereiste in het algemeen als een zeldzame uitzondering "omdat het ontwerp daarvoor als eenigen grond erkent de mogelijkheid, dat het bijzonder belang grooter nadeel lijdt door het instellen dan het openbaar belang door het niet-instellen der strafactie. Deze zal, om zo een afweging in redelijkheid te kunnen maken, inzicht dienen te hebben in de omstandigheden die voor de waardering van de conflicterende belangen gewicht in de schaal leggen.

De klachttermijn is gegeven "opdat de tot klacht gerechtigde zich op de hoogte kan stellen van alle omstandigheden die zijn beslissing omtrent het indienen van de klacht moeten bepalen" 7. De klachttermijn van 90 dagen begint te lopen de dag nadat de tot klacht gerechtigde van het gepleegde feit kennis heeft genomen. Kennis betekent volgens NLR suppl.

Paragraaf 77b StGB bevat de regeling van de klachttermijn in het Duitse recht. Ik denk aan de ouders aan wie ter ore komt dat hun jarige kind seksueel heeft verkeerd met een oudere, zonder dat zij met de identiteit van die ander bekend zijn omdat het kind die niet wil prijsgeven. Omdat de ouders aanvankelijk denken dat het een incidenteel gebeuren is geweest laten zij na klacht te doen. Na afloop van de klachttermijn komen zij ervan op de hoogte dat de ander een familielid is dat in de buurt woont en nog steeds toenadering tot hun kind zoekt.

Zulke nadien bekend geworden omstandigheden kunnen de klachtgerechtigde ouders ertoe doen besluiten dat de bescherming van hun kind tegen het familielid de voorkeur moet krijgen boven de wens van het kind de dader niet aan vervolging bloot te stellen. Of denk aan het geval dat de ouders eerst nadien vernemen dat de dader vermoedelijk met HIV is besmet. Soms kunnen de persoonskenmerken van de vermoedelijke dader zo relevant zijn voor de afweging van belangen die de bron is van het klachtvereiste dat niet gezegd kan worden dat een redelijke afweging plaats kan vinden zonder dat die persoonskenmerken bij die afweging worden betrokken.

De ratio van het klachtvereiste is mede de bescherming van klager dat er geen ruchtbaarheid aan een zaak wordt gegeven voordat hij heeft aangegeven dat hij ook daadwerkelijk vervolging wil. Het dient dus niet ter bescherming van de belangen van verdachte. Het hof heeft geoordeeld dat [betrokkene 3] eerst op 12 juli -bij gelegenheid van zijn ontmoeting met de verdachte- op de hoogte is geraakt van alle omstandigheden die voor zijn beslissing omtrent het indienen van zijn klacht van belang waren.

Op die dag vernam [betrokkene 3] - blijkens bewijsmiddel 34 - namelijk van de verdachte dat hij ongecontroleerde opwellingen en drang tot het verleiden van kinderen had, dat hij soms zelfs niet wist wat hij met de kinderen deed en dat hij daarvoor onder behandeling van het Riagg was geweest, waaruit [betrokkene 3] begreep dat de verdachte hulp nodig had in verband met diens neigingen en dat de verdachte een gevaar voor kinderen vormde, waardoor justitieel ingrijpen geboden was.

Gelet hierop geeft 's hofs oordeel dat de klachttermijn eerst op 12 juli is aangevangen - anders dan de steller van het middel meent - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "kennis" als bedoeld in art. Overigens mag niet uit de verklaringen van [slachtoffer 1] worden afgeleid dat [slachtoffer 1] zelf geen vervolging van verdachte zou willen.

In die verklaringen ligt besloten dat [slachtoffer 1] vond dat verdachte niet enkel voor hetgeen hij ten aanzien van [slachtoffer 1] had gedaan de gevangenis in zou moeten, maar dat hij het wel belangrijk vond dat verdachte niets aan andere kinderen zou mogen aandoen. Als verdachte voor andere kinderen een gevaar zou opleveren - en daar heeft het toch alle schijn van - zou [slachtoffer 1] wel willen dat hij zou worden vervolgd ook voor hetgeen verdachte hem had aangedaan.

Ik geef toe dat de verklaringen van [slachtoffer 1] niet klip en klaar uitkomen op de wens dat de verdachte zal worden vervolgd, maar als zou blijken dat verdachte ook andere kinderen lastig viel zou verdachte moeten worden aangepakt. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het bewijsverweer inhoudende dat verdachtes daderschap onverenigbaar is met de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 3] betreffende de beschrijving van de in de bosjes waargenomen dader.

Het hof neemt het door deze deskundigen opgemerkte tot uitgangspunt, en is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 3] betreffende de in de bosjes waargenomen dader niet onverenigbaar zijn met de physionomie van de verdachte, zoals deze blijkt uit de zich in het proces-dossier bevindend - en van [de] zomer [van] daterende - foto's van verdachte. Wat betreft de waarnemingen van [slachtoffer 3] betreffende de man die op de brug, gezeten op een fiets, belde moet worden bedacht dat [slachtoffer 3] toen net uit de bosjes kwam en zich alstoen kennelijk vide G in een staat van beperkte waarneming bevond, terwijl verdachte zich bovendien op enige afstand van hem ophield.

De stelling van de raadsman dat [slachtoffer 3] "een geheel ander type persoon beschrijft" wordt door het hof dan ook niet onderschreven. Het daderschap van verdachte is dan ook niet onverenigbaar met de verklaringen van [slachtoffer 3]. Aangevoerd wordt dat het hof het verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen omdat het de foto's waarnaar wordt verwezen niet nader heeft omschreven, hetgeen meebrengt dat 's hofs oordeel dat het daderschap van verdachte niet onverenigbaar is met de verklaringen van [slachtoffer 3] in cassatie niet adequaat op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.

Het middel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft immers de verklaringen van [slachtoffer 3] over het uiterlijk van de dader niet voor het bewijs gebezigd. Het hof heeft het bewijs doen steunen op de inhoud van de in de bijlage bij het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen. In die aanvulling zijn verklaringen van [slachtoffer 3] opgenomen nrs.

Verdachte is niet door [slachtoffer 3] als dader geïdentificeerd. Het bewijs van het daderschap van verdachte wordt in toereikende mate geleverd door de inhoud der in de aanvulling opgenomen wettige bewijsmiddelen. Dat er buiten de inhoud der bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt nog ander materiaal is dat haaks staat op de bewezenverklaring of daarmee minder goed te rijmen is, is een situatie die iemand die vertrouwd is met de gang van zaken in een strafzaak niet vreemd zal voorkomen.

Dat daderschap vloeit reeds rechtstreeks voort uit bewijsmiddel Overigens - en dat mijnerzijds ten overvloede - merk ik op dat de overwegingen van het hof onder Zij steunen voorts op het verhandelde ter terechtzitting, hetgeen uit het volgende kan blijken.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 13 februari heeft getuige [getuige 1] aldaar verklaard dat:. Voorts heeft een collega van verdachte ter zitting van 13 februari proces-verbaal pagina 14 verklaard dat verdachte er nog steeds hetzelfde uitziet als op 22 juni , alleen iets dikker. Voorts is er de verklaring van [getuige 2], werkgeefster van verdachte, afgelegd ter zitting van 18 februari , inhoudende dat verdachte er nog steeds hetzelfde uitziet, zijn haarlengte nog precies hetzelfde is, maar dat hij alleen iets voller is geworden.

Bovendien is ter zitting door of namens de verdachte op geen enkel moment aangevoerd dat verdachte [verdachte] niet degene is die op de zich in het dossier bevindende foto's van de zomer van staat afgebeeld.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de persoon die staat afgebeeld op de foto's waarnaar het hof verwijst, de persoon die getuige [getuige 1] beschrijft en de verdachte [verdachte] een en dezelfde persoon zijn. Tevens blijkt uit deze verklaringen dat verdachte er ter terechtzitting nog hetzelfde uitzag als op de foto's.

Uit de beschrijving van de getuige [getuige 1] van de man die zij heeft gezien kan iedere toehoorder zich daarom een beeld vormen van de fysionomie van degene die op de foto's is afgebeeld; sterker nog, degene die op de foto's is afgebeeld is in levenden lijve voor het hof verschenen.

Voor het feit dat de omschrijving die [slachtoffer 3] van de dader heeft gegeven duidelijke verschillen vertoont met het uiterlijk van verdachte heeft het hof een begrijpelijke verklaring gegeven. Het hof heeft blijkens het bestreden arrest vastgesteld dat [slachtoffer 3] in de ambulance, dus direct na het drama, geen signalement van de dader heeft opgegeven en verklaard heeft dat hij niet naar de man heeft gekeken, en dat [slachtoffer 3] eerst in de loop van de vele van het afgenomen politieverhoren desgevraagd een aantal malen beschrijvingen van de dader heeft geven.

Deze beschrijvingen, zoals op pagina 28 en 29 in het arrest weergegeven, lopen in hoofdzaak op twee punten uiteen met de hierboven door getuige [getuige 1] gegeven beschrijving. Getuige [getuige 1] spreekt over sluik haar en kan zich geen puisterig gelaat herinneren, terwijl [slachtoffer 3] het over stekeltjes haar heeft en over een gezicht vol met puistjes.

Maar over deze waarneming door [slachtoffer 3] hebben de deskundigen blijkens het bestreden arrest nu juist verklaard dat er bij [slachtoffer 3] - die de dader blijkens zijn verklaringen slechts korte tijd heeft kunnen waarnemen, en wel gedurende zijn gedwongen verblijf met [slachtoffer 2] en de dader in de bosjes onder levensbedreigende omstandigheden - sprake was van de zogenaamde "Totstell-reflex", in welk geval sprake is van een vernauwde visuele waarneming en dat "het reëel is om te beseffen dat een verklaring van traumatische gebeurtenissen in details altijd wel ongerijmdheden en onjuistheden kan bevatten".

Hetgeen de deskundigen hebben opgemerkt is door het hof tot uitgangspunt genomen. Dat brengt mij tot de slotsom dat 's hofs oordeel dat het daderschap van verdachte niet onverenigbaar is met de verklaringen van [slachtoffer 3] - ook zonder 's hofs nadere omschrijving van de betreffende foto's - niet onbegrijpelijk is.

Het derde middel komt op tegen de bewezenverklaarde feiten 1 en 3. Het bewijs voor een voltooide verkrachting zou ontoereikend zijn nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte zijn penis in de vagina van [slachtoffer 2] heeft gebracht. Hieruit volgt dat verdachte, die op de bewuste 22 juni seksueel opgewonden in het Beatrixpark rondreed op zoek naar kinderen met wie hij sex wilde hebben, in de bosjes met een ontblote stijve penis bovenop de - in opdracht van verdachte - geheel ontklede [slachtoffer 2] is gaan liggen met de bedoeling om sexuele gemeenschap met haar te hebben en dat verdachte heel erg bang werd om betrapt te worden terwijl hij bezig was het meisje te verkrachten.

Tevens zijn blijkens de gebezigde bewijsmiddelen bij [slachtoffer 2] recente letsels aangetroffen die bij penetratie met een te groot voorwerp, zoals een penis, kunnen ontstaan. Aldus heeft het hof - anders dan het middel kennelijk meent - kunnen aannemen dat verdachte [slachtoffer 2] met zijn penis heeft gepenetreerd zoals bewezenverklaard. Waarom de omstandigheid dat er volgens de patholoog, die het stoffelijk overschot van het slachtoffertje heeft onderzocht, sprake is van heel recente slijmvliesbeschadigingen en maagdenvliesafwijkingen ontoereikend zou zijn voor het bewijs van een voltooide verkrachting is mij een raadsel.

Het gaat immers om letsels die horen bij het seksueel binnendringen van het lichaam van een kind. Naar mijn mening levert de verklaring van de patholoog juist bij uitstek het bewijs van een voltooide verkrachting, zeker in combinatie met de verklaringen van verdachte waarnaar ik zojuist verwees. Het vierde middel klaagt over 's hofs afwijzing van de verzoeken om verdachtes bekennende verklaringen en het door hem gevoerde telefoongesprek met de alarmcentrale aan een psychologische analyse te onderwerpen.

Blijkens 's hofs tussenbeslissing van 21 december heeft het hof de in het middel bedoelde verzoeken van 7 december afgewezen en dienaangaande overwogen:. Met betrekking tot het telefoongesprek van verdachte met de hulpdiensten via van 22 juni vanaf Aan deze verzoeken gaat het hof voorbij. Daargelaten de relevantie van de geformuleerde vragen, wordt een psychologisch onderzoek naar deze verhoren en dit telefoongesprek niet noodzakelijk geacht.

Het is bij uitstek de taak van de rechter om de betreffende verklaringen en de inhoud van het telefoongesprek op hun merites te waarderen.

De stelling waarop het middel berust, namelijk dat de verdediging niet het recht mag worden ontzegd om met behulp van deskundigen de betrouwbaarheid van verklaringen van de verdachte te belichten, is kennelijk gebaseerd op art. Die bepaling noopt evenwel niet tot een onbeperkt honoreren van alle verzoeken die de verdediging voorlegt.

Tevergeefs wordt een beroep gedaan op HR NJ , - bedoeld zal zijn HR NJ , - aangezien het in die zaak, anders dan in de onderhavige zaak, om de betrouwbaarheid ging van een onder hypnose afgelegde getuigenverklaring waarvan de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een dergelijke verklaring bewijskracht moet worden ontzegd, niet meer en niet minder.

Het verzoek van de verdediging om een psychologische analyse van bedoelde verhoren en van het telefoongesprek is een verzoek als bedoeld in art.

Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige is of van de noodzaak van het verzochte is gebleken. Blijkens het hier weergegeven oordeel heeft het hof door te overwegen dat het een psychologisch onderzoek naar deze verhoren en dit telefoongesprek niet noodzakelijk acht de juiste maatstaf aangelegd.

Daarbij valt in aanmerking te nemen dat - zoals het hof terecht heeft overwogen en in cassatie door de verdediging wordt onderschreven - het bij uitstek de taak van de rechter is om de betreffende verklaringen en de inhoud van het telefoongesprek op hun merites te waarderen en voorts dat het geenszins aannemelijk is geworden - zoals het hof blijkens het bestreden arrest heeft vastgesteld - dat de verdachte zijn verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd en ook dat de bekennende verklaringen van verdachte uiteraard niet het enige bewijs is waarop de bewezenverklaringen steunen.

Aan de verhoren van 9 en 10 september heeft het hof in zijn arrest onder Daarbij is te bedenken dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld bij de rechter-commissaris de verhorende verbalisanten aan de tand te voelen over de wijze waarop de verhoren van verdachte zijn verlopen. De motivering van het verzoek bood ook geen aanknopingspunt voor een uitgebreidere redengeving.

De pleitnota die de advocaat ter terechtzitting van 7 december heeft overgelegd houdt enkel in dat de verklaringen van verdachte van 9 en 10 september nader dienen te worden onderzocht, bij voorkeur door een psycholoog. Meer dan dat de stemmingen van verdachte tijdens die verhoren sterk wisselden en dat verdachte geruime tijd niet of nauwelijks contact met de buitenwereld heeft gehad is in die pleitnota niet te lezen. Bovendien leert een blik achter de papieren muur dat verdachte niet alleen bij de politie heeft bekend, maar deze bekentenissen daarna nog eens heeft bevestigd tijdens zijn voorgeleiding op 11 september ten overstaan van officier van justitie mr.

Het vijfde middel klaagt over 's hofs afwijzing van het verzoek om alle bij de politie binnengekomen tips aan het dossier toe te voegen.

Blijkens 's hofs tussenbeslissing van 21 december heeft het hof het in het middel bedoelde verzoek van 7 december afgewezen en dienaangaande overwogen "dat de verdediging heeft nagelaten haar belang in voldoende mate concreet te onderbouwen". Blijkens het bestreden arrest heeft het hof dit op 13 februari herhaalde verzoek als volgt afgewezen:. Het herhaalde verzoek 14 d.

Het hof wijst het herhaalde verzoek 14 af. Het verwijst naar de overweging dienaangaande in de tussenbeslissing van 21 december Ook thans ontbeert het verzoek voldoende concrete onderbouwing, ook niet voor de kennelijke veronderstelling van de verdediging, dat de tips belangrijke informatie zouden bevatten over mogelijke andere betrokkenen bij de tenlastegelegde feiten dan de verdachte en dat politie en justitie onvoldoende bereid zijn onderzoek te verrichten naar een andere verdachte.

Het hof blijft van oordeel dat geen noodzaak bestaat tot het aan het dossier toevoegen van alle bij de politie ingekomen tips, zoals het hof in voormelde tussenbeslissing ten aanzien van alle onder punt 14 behandelde verzoeken heeft geoordeeld. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat er nog relevante verklaringen aan het dossier ontbreken.

Het door de raadsman gedane verzoek tot toevoeging aan het dossier van tips is een verzoek als bedoeld in art.



Spuitende tieten vrouw zoekt vrouw sexdate

  • Natte poesjes kut negerin
  • Grote geile kut lekkere
  • Dit is derhalve niet noodzakelijk. Een beroep op art.
  • Hypnose neuken tilburg
  • SQUIRTEN MEIDEN DIE PIJPEN

Vrouw zoekt vrouw sex vrouw zoekt sexcontact


Wij bieden verschillende oplossingen voor coaching, hypnose en spiritualiteit, door middel van verschillende cursussen, persoonlijke trainingen en groepstrainingen. Een leven lang groeien en ontwikkelen, daar geniet ik van. Deze theoretische- en ervaringsbagage in combinatie met wie ik ben, is mijn gereedschap; mensen in beweging brengen, regie terug geven als dat nodig is en dan samen vooruitgang creëren, dat is mijn passie.

De combinatie van werken in de zorg als verpleegkundige, NLP, systemisch werk en mediumschap maken dat ik op een holistische wijze kijk naar de mens die ik ontmoet. Ik gun iedereen een ontmoeting met zichzelf en ga graag als metgezel mee op deze reis.

Niet om koers te bepalen maar om je op koers brengen en te houden. Facebook Profile Google Plus Profile. Wat Hypnose Tilburg voor jou kan doen? Wil jij weten of ook jouw probleem kunnen oplossen? Evenmin ligt het voor de hand te veronderstellen dat het hof iedere vordering tot vergoeding van shockschade al bij voorbaat als te ingewikkeld beschouwt om in het strafgeding toe te laten.

Dat zou ook vreemd zijn gezien de rechtspraktijk, waarin alle vormen van schade als gevolg van ernstige delicten door de strafrechter behandeld plegen te worden. Evenmin zou dat stroken met het eigen arrest van het Hof van 26 april , rolnummer Had het hof ter beantwoording van de vraag of zich ten aanzien van de ouders van [slachtoffer 2], los van de door het overlijden van [slachtoffer 2] door hen geleden affectieschade, daadwerkelijk shockschade heeft voorgedaan, en of derhalve in juridische zin sprake is geweest van een jegens de ouders van [slachtoffer 2] gepleegde onrechtmatige daad, de ouders alsnog in de gelegenheid behoren te stellen om, voor zover mogelijk aan de hand van bescheiden zoals brieven van eventuele behandelaars aan hun huisarts, nadere informatie te verschaffen over eventuele psychische klachten die zij na het overlijden van [slachtoffer 2] hebben gehad en over eventuele behandeling die zij in verband daarmee hebben ondergaan, nu de benadeelde partijen en hun raadsman niet bekend konden zijn met de voorwaarden die in HR , NJ , zijn gegeven?

Het komt er dus op neer of het hof tot het oordeel is kunnen komen dat het onderzoek volledig is geweest en dat er geen grond was voor toepassing van art. Een beroep op art. In het algemeen is de rechter niet scheutig met toepassing van art.

De beslissing dat het niet noodzakelijk is gebruik te maken van de in art. De Hoge Raad controleert slechts of de beslissing toereikend is gemotiveerd. In de onderhavige zaak heeft het hof de benadeelde partijen niet in de gelegenheid gesteld hun vorderingen alsnog aan te passen aan de eisen die de Hoge Raad in HR NJ , heeft geformuleerd.

Van die eisen waren de benadeelde partijen niet op de hoogte en zij konden daarvan niet op de hoogte zijn. Ik kan in de overwegingen van het hof niet lezen dat het hof van oordeel was dat het alsnog gelegenheid bieden aan de benadeelde partijen om de vorderingen aan te passen een onaanvaardbare vertraging in de afhandeling van de strafzaak zou hebben opgeleverd of zou leiden tot complicaties die het kader van een strafzaak te boven zouden gaan.

Nu de benadeelde partijen uitdrukkelijk wél een beroep hebben gedaan op jurispudentie van het hof in een vergelijkbare zaak had het mijns inziens voor de hand gelegen als het hof alsnog de benadeelde partijen in de gelegenheid had gesteld op de nieuwste rechtspraak van de Hoge Raad te reageren.

De vaststelling dat de onderbouwing van de vorderingen ontoereikend is gezien de nieuwe eisen die de Hoge Raad stelt komt erop neer dat de vorderingen der benadeelde partijen worden getoetst aan criteria die aan die benadeelde partijen niet bekend konden zijn.

De middelen van de benadeelde partijen, in onderlinge samenhang beschouwd, treffen daarom naar mijn oordeel doel. Dan kom ik nu toe aan de namens de verdachte ingediende cassatiemiddelen. Het eerste middel klaagt erover dat het hof het met betrekking tot het onder 6 bewezenverklaarde feit gevoerde verweer inhoudende dat de klacht niet tijdig is ingediend ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de officier van justitie ten aanzien van dit feit niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat -zo begrijpt het hof de stellingen van de raadsman- het hier een klachtdelict betreft, de klacht is ingediend door [betrokkene 3] als wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 1], en die klacht niet is ingediend binnen de termijn van artikel 66, eerste lid, Wetboek van Strafrecht.

De aangifte en klacht zijn door [betrokkene 3] gedaan op 22 september De klacht is gedaan ten overstaan van een hulpofficier van justitie. Het feit dateert van 30 mei Uit de verklaring van [betrokkene 3], zoals op 10 mei tegenover de rechter-commissaris afgelegd, blijkt dat hij op 30 mei van zijn zoon [slachtoffer 1] heeft vernomen dat deze op die dag door een onbekende man seksueel was lastig gevallen zoals in de tenlastelegging bedoeld.

Uit de verklaring van [betrokkene 3], zoals opgenomen in het door hem als politie-ambtenaar op 12 juli opgemaakte proces-verbaal van politie, alsmede uit diens verklaring, zoals op 10 mei tegenover de rechter-commissaris afgelegd, blijkt voorts dat zijn zoon [slachtoffer 1] op 12 juli vorenbedoelde onbekende man weer was tegengekomen, dat [slachtoffer 1] hem die man toen had aangewezen, dat hij die man vervolgens had aangesproken, dat die man hem toen had opgegeven [verdachte] de verdachte te zijn en dat deze bekend had dat hij op 30 mei [slachtoffer 1] op de Lepelaarsingel te Vlaardingen achterna was gefietst en hem had gevraagd of hij f 50,- wilde verdienen door hem te trekken.

Voorts vernam [betrokkene 3] toen van de verdachte dat hij ongecontroleerde opwellingen en drang tot het verleiden van kinderen had, dat hij soms zelfs niet wist wat hij met de kinderen deed en dat hij daarvoor onder behandeling van het Riagg was geweest.

Het hof leidt uit de verklaringen van [betrokkene 3] voorts af dat hij niet eerder dan op 22 september tot het doen van aangifte en klacht is overgegaan met het oog op de belangen van zijn zoon [slachtoffer 1] met betrekking tot de verwerking van het delict, maar dat hij daartoe uiteindelijk heeft besloten nadat hij uit de mededelingen van de verdachte begrepen had dat de verdachte een gevaar voor kinderen vormde, waardoor justitieel ingrijpen geboden was.

Op grond van een en ander oordeelt het hof dat [betrokkene 3] eerst op 12 juli -bij gelegenheid van zijn ontmoeting met de verdachte- op de hoogte is geraakt van alle omstandigheden die voor zijn beslissing omtrent het indienen van zijn klacht van belang waren. Aldus wordt de klachttermijn geacht eerst te zijn aangevangen de dag na 12 juli , zodat de op 22 september gedateerde klacht ingediend is binnen de daarvoor bij de wet voorziene termijn.

Voorzover de raadsman stelt dat het niet waarschijnlijk is dat [slachtoffer 1] zelf een klacht zou hebben ingediend, overweegt het hof dat uit de verklaringen die [slachtoffer 1] tegenover de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd, niet kan worden afgeleid dat hij zelf geen vervolging van de verdachte wenst. Tegenover de rechter-commissaris heeft [betrokkene 3] verklaard dat hij na overleg met zijn zoon [slachtoffer 1] besloten heeft om aangifte te doen en dat [slachtoffer 1] dat goed vond.

Artikel ter oud Sr, zoals dat luidde voor het op 1 oktober verviel, kende een tweede lid met de volgende inhoud:. Artikel 66 Sr houdt in dat de klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.

Deze termijn gold bij zedendelicten evenwel voor de wettige vertegenwoordiger en niet voor degene jegens wie het delict werd gepleegd.

Voor de laatste voorzag het vierde lid van art. Het klachtvereiste bij de zedendelicten markeerde de delicate spanning tussen het particuliere belang van het individu zijn of haar seksuele bestaan naar eigen goeddunken in te richten en het algemeen belang, dat ermee is gediend dat sommigen, die op grond van hun leeftijd of constitutie meer kwetsbaar zijn dan anderen, tegen de seksuele avances van derden in bescherming worden genomen.

De memorie van toelichting bij Titel VII van het Wetboek van strafrecht omschrijft de achtergrond van het klachtvereiste in het algemeen als een zeldzame uitzondering "omdat het ontwerp daarvoor als eenigen grond erkent de mogelijkheid, dat het bijzonder belang grooter nadeel lijdt door het instellen dan het openbaar belang door het niet-instellen der strafactie.

Deze zal, om zo een afweging in redelijkheid te kunnen maken, inzicht dienen te hebben in de omstandigheden die voor de waardering van de conflicterende belangen gewicht in de schaal leggen.

De klachttermijn is gegeven "opdat de tot klacht gerechtigde zich op de hoogte kan stellen van alle omstandigheden die zijn beslissing omtrent het indienen van de klacht moeten bepalen" 7.

De klachttermijn van 90 dagen begint te lopen de dag nadat de tot klacht gerechtigde van het gepleegde feit kennis heeft genomen. Kennis betekent volgens NLR suppl. Paragraaf 77b StGB bevat de regeling van de klachttermijn in het Duitse recht. Ik denk aan de ouders aan wie ter ore komt dat hun jarige kind seksueel heeft verkeerd met een oudere, zonder dat zij met de identiteit van die ander bekend zijn omdat het kind die niet wil prijsgeven.

Omdat de ouders aanvankelijk denken dat het een incidenteel gebeuren is geweest laten zij na klacht te doen. Na afloop van de klachttermijn komen zij ervan op de hoogte dat de ander een familielid is dat in de buurt woont en nog steeds toenadering tot hun kind zoekt. Zulke nadien bekend geworden omstandigheden kunnen de klachtgerechtigde ouders ertoe doen besluiten dat de bescherming van hun kind tegen het familielid de voorkeur moet krijgen boven de wens van het kind de dader niet aan vervolging bloot te stellen.

Of denk aan het geval dat de ouders eerst nadien vernemen dat de dader vermoedelijk met HIV is besmet. Soms kunnen de persoonskenmerken van de vermoedelijke dader zo relevant zijn voor de afweging van belangen die de bron is van het klachtvereiste dat niet gezegd kan worden dat een redelijke afweging plaats kan vinden zonder dat die persoonskenmerken bij die afweging worden betrokken.

De ratio van het klachtvereiste is mede de bescherming van klager dat er geen ruchtbaarheid aan een zaak wordt gegeven voordat hij heeft aangegeven dat hij ook daadwerkelijk vervolging wil. Het dient dus niet ter bescherming van de belangen van verdachte. Het hof heeft geoordeeld dat [betrokkene 3] eerst op 12 juli -bij gelegenheid van zijn ontmoeting met de verdachte- op de hoogte is geraakt van alle omstandigheden die voor zijn beslissing omtrent het indienen van zijn klacht van belang waren.

Op die dag vernam [betrokkene 3] - blijkens bewijsmiddel 34 - namelijk van de verdachte dat hij ongecontroleerde opwellingen en drang tot het verleiden van kinderen had, dat hij soms zelfs niet wist wat hij met de kinderen deed en dat hij daarvoor onder behandeling van het Riagg was geweest, waaruit [betrokkene 3] begreep dat de verdachte hulp nodig had in verband met diens neigingen en dat de verdachte een gevaar voor kinderen vormde, waardoor justitieel ingrijpen geboden was.

Gelet hierop geeft 's hofs oordeel dat de klachttermijn eerst op 12 juli is aangevangen - anders dan de steller van het middel meent - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "kennis" als bedoeld in art. Overigens mag niet uit de verklaringen van [slachtoffer 1] worden afgeleid dat [slachtoffer 1] zelf geen vervolging van verdachte zou willen. In die verklaringen ligt besloten dat [slachtoffer 1] vond dat verdachte niet enkel voor hetgeen hij ten aanzien van [slachtoffer 1] had gedaan de gevangenis in zou moeten, maar dat hij het wel belangrijk vond dat verdachte niets aan andere kinderen zou mogen aandoen.

Als verdachte voor andere kinderen een gevaar zou opleveren - en daar heeft het toch alle schijn van - zou [slachtoffer 1] wel willen dat hij zou worden vervolgd ook voor hetgeen verdachte hem had aangedaan. Ik geef toe dat de verklaringen van [slachtoffer 1] niet klip en klaar uitkomen op de wens dat de verdachte zal worden vervolgd, maar als zou blijken dat verdachte ook andere kinderen lastig viel zou verdachte moeten worden aangepakt.

Het tweede middel klaagt over de verwerping van het bewijsverweer inhoudende dat verdachtes daderschap onverenigbaar is met de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 3] betreffende de beschrijving van de in de bosjes waargenomen dader.

Het hof neemt het door deze deskundigen opgemerkte tot uitgangspunt, en is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 3] betreffende de in de bosjes waargenomen dader niet onverenigbaar zijn met de physionomie van de verdachte, zoals deze blijkt uit de zich in het proces-dossier bevindend - en van [de] zomer [van] daterende - foto's van verdachte. Wat betreft de waarnemingen van [slachtoffer 3] betreffende de man die op de brug, gezeten op een fiets, belde moet worden bedacht dat [slachtoffer 3] toen net uit de bosjes kwam en zich alstoen kennelijk vide G in een staat van beperkte waarneming bevond, terwijl verdachte zich bovendien op enige afstand van hem ophield.

De stelling van de raadsman dat [slachtoffer 3] "een geheel ander type persoon beschrijft" wordt door het hof dan ook niet onderschreven. Het daderschap van verdachte is dan ook niet onverenigbaar met de verklaringen van [slachtoffer 3]. Aangevoerd wordt dat het hof het verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen omdat het de foto's waarnaar wordt verwezen niet nader heeft omschreven, hetgeen meebrengt dat 's hofs oordeel dat het daderschap van verdachte niet onverenigbaar is met de verklaringen van [slachtoffer 3] in cassatie niet adequaat op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.

Het middel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft immers de verklaringen van [slachtoffer 3] over het uiterlijk van de dader niet voor het bewijs gebezigd. Het hof heeft het bewijs doen steunen op de inhoud van de in de bijlage bij het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen. In die aanvulling zijn verklaringen van [slachtoffer 3] opgenomen nrs. Verdachte is niet door [slachtoffer 3] als dader geïdentificeerd. Het bewijs van het daderschap van verdachte wordt in toereikende mate geleverd door de inhoud der in de aanvulling opgenomen wettige bewijsmiddelen.

Dat er buiten de inhoud der bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt nog ander materiaal is dat haaks staat op de bewezenverklaring of daarmee minder goed te rijmen is, is een situatie die iemand die vertrouwd is met de gang van zaken in een strafzaak niet vreemd zal voorkomen.

Dat daderschap vloeit reeds rechtstreeks voort uit bewijsmiddel Overigens - en dat mijnerzijds ten overvloede - merk ik op dat de overwegingen van het hof onder Zij steunen voorts op het verhandelde ter terechtzitting, hetgeen uit het volgende kan blijken.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 13 februari heeft getuige [getuige 1] aldaar verklaard dat:.

Voorts heeft een collega van verdachte ter zitting van 13 februari proces-verbaal pagina 14 verklaard dat verdachte er nog steeds hetzelfde uitziet als op 22 juni , alleen iets dikker.

Voorts is er de verklaring van [getuige 2], werkgeefster van verdachte, afgelegd ter zitting van 18 februari , inhoudende dat verdachte er nog steeds hetzelfde uitziet, zijn haarlengte nog precies hetzelfde is, maar dat hij alleen iets voller is geworden.

Bovendien is ter zitting door of namens de verdachte op geen enkel moment aangevoerd dat verdachte [verdachte] niet degene is die op de zich in het dossier bevindende foto's van de zomer van staat afgebeeld. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de persoon die staat afgebeeld op de foto's waarnaar het hof verwijst, de persoon die getuige [getuige 1] beschrijft en de verdachte [verdachte] een en dezelfde persoon zijn.

Trump told him he had agreed to write a book for Random House. Zelfs voor zijn boek ´The art of the deal´ sloot Donald Trump een ongunstige overeenkomst. De man kan gewoon niet onderhandelen , concludeert politico aan de hand van uitgebreid onderzoek. You have to understand that. If you knock Donald on his ass, he will tell you the best position to be in is on your ass. Dit is het Sargasso-café van vrijdag Dit is het Sargasso-café van donderdag Klaas Dijkhoff produceert dus alleen maar wat geblaat voor de buhne.

In plaats van te bouwen 'voor het middensegment' kan men beter investeren in sociale woningbouw. Maar ja, rechts kabinet hè. Laatste reacties SG-café zondag Door: Dat is een vorm van 'newspeak' waar de Isralische hasbara propagandisten meesters in zijn.

Zo worden burgerslachtoffers ''collateral damage'' genoemd inplaats van slachtoffers en Israelische moorden op zogenaamde ''terroristen'' geen moord maar ''neutralizing'' genoemd. Dit heeft de VS ook overgenomen in hun propaganda taal. Israel apoligisten aka HabaRATS zijn ook meesters in het projecteren van hun eigen misdaden en plannetjes op anderen. Ben blij dat anderen dit ook door beginnen te…. Ook een kapotte klok geeft twee keer per dag de juiste tijd aan. Veel ervan met als belangrijke reden: Handtekeningen onder een 10 tot 15 jarige contract zetten topmensen uit het bedrijfsleven echter niet op blauwe ogen of jubelverhalen van een verkoper.

Dat een bedrijf overschakelt op groene stroom wil niet…. Speciaaltje voor de plaatselijke inquisitie "Bernie Sanders delivers an anti-war address that no other politician is willing to give. De politie beweert het tegenovergestelde: De burgemeester zegt dat Pegida zelf heeft besloten. Ook als je kijkt naar de meest waarschijnlijke gang van zaken, dan is jouw stelling….